De eindheffing is tegenwoordig een algemeen bekende manier van belasting heffen binnen de loonheffingen. Het begrip kreeg in 1997 een wettelijke basis voor naheffingsaanslagen en een aantal eindheffingen. Voor die tijd moest bij het opleggen van correcties steeds gebruteerd worden.
De wetgever heeft sindsdien flink gebruik gemaakt van die wettelijke mogelijkheid tot introductie van eindheffingen. Daarnaast zijn zelfs pseudo-eindheffingen gecreëerd. Zodoende is een vrij ingewikkeld woud van bepalingen ontstaan over de manier van eindheffen.
Overzicht
Kort gezegd, zijn er 4 heffingsregimes binnen de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB): a) het werknemersregime, b) reguliere eindheffingsregime en c) pseudo-eindheffingsregime. Er is ook nog een regime voor beroepssporters, artiesten en buitenlandse gezelschappen, maar dit valt buiten het bestek van deze bijdrage. Wanneer past de Belastingdienst welk regime toe?
Werknemersregime
In het werknemersregime is de werknemer het subject van heffing. Loonbelasting wordt geheven van de werknemer. Het object van heffing is het loon dat de werknemer geniet.
Het tarief waarover belasting wordt geheven, is het progressieve schijventarief dat wij ook in de inkomstenbelasting hebben met heffingskortingen. En het is de werkgever die de inhouding op het loon moet verrichten en afdragen aan de Belastingdienst.
De ingehouden en afgedragen loonbelasting kent een rechtstreekse doorwerking naar de inkomstenbelasting. De geheven loonbelasting is in de Wet op de inkomstenbelasting (Wet IB) aangewezen als voorheffing.
Regulier eindheffingsregime
Als de Belastingdienst na een boekenonderzoek correcties oplegt, dan vindt belastingheffing plaats volgens het reguliere eindheffingsregime naar het tabeltarief. Een uitzondering hierop is dat je als werkgever kunt verzoeken om een naheffing op werknemersniveau. De Belastingdienst kan daarnaast zelf besluiten om geen gebruik te maken van de eindheffing, maar maatwerk toe te passen als de eindheffing onredelijke of ongewenste effecten zou hebben.
In het reguliere eindheffingsregime is de werkgever het subject van heffing; de werkgever ontvangt immers de naheffingsaanslag. Het object van heffing is het eindheffingsbestanddeel, in veel gevallen gewoon het loon.
In het eindheffingsregime kennen we het tabeltarief (zeg maar: het gebruteerde tarief) en het enkelvoudige tarief, vergelijkbaar met het progressieve schijventarief. En voor sommige eindheffingsbestanddelen kennen we een vast tarief. Dat kan zijn een percentage van de grondslag of een bedrag in euro’s.
Eindheffingsloon is geen loon voor de inkomstenbelasting. Als eindheffing geheven loonbelasting is dan ook niet verrekenbaar met de inkomstenbelasting.
Pseudo-eindheffingsregime
Momenteel kennen wij 2 heffingen binnen het pseudo-eindheffingsregime: de pseudo-eindheffing regeling vervroegde uittreding (RVU) en de pseudo-eindheffing voor de excessieve vertrekvergoeding. In het Belastingplan 2026 is daarnaast aangekondigd dat er met ingang van 2027 een pseudo-eindheffing voor fossiele auto’s van de zaak zal worden ingevoerd. Ten tijde van het schrijven van deze column is het Belastingplan 2026 echter nog niet door de Eerste Kamer.
Het belangrijkste verschil tussen het reguliere eindheffingsregime en het pseudo-eindheffingsregime is dat de reguliere eindheffing in plaats komt van de loonbelasting die geheven wordt van de werknemer, terwijl de pseudo-eindheffing daar nog eens naast komt. 'Naast' heeft hier eigenlijk een dubbele betekenis, want de pseudo-eindheffing kan zowel naast de door de werknemer verschuldigde loonbelasting komen, als naast de door jou als werkgever verschuldigde eindheffing.
Voorbeeld
Stel dat er in een situatie sprake is van een RVU-uitkering. De werkgever die de uitkering verstrekt, is inhoudingsplichtig en zou dus loonbelasting moeten inhouden op die uitkering. Maar als deze werkgever dat om de een of andere reden verzuimt, legt de Belastingdienst hierover een naheffingsaanslag op die is gebaseerd op het reguliere eindheffingsregime. En die belasting wordt dan geheven bij de werkgever.
Daarnaast kan het zo zijn dat je als werkgever in het geval van een fiscaal niet-toegestane RVU-regeling ook nog eens de 52% pseudo-eindheffing over die RVU verschuldigd bent. Nu is fiscale wetgeving er over het algemeen op gericht om dubbele heffing te vermijden, maar in deze situatie is er juridisch gezien wel degelijk sprake van dubbele heffing. Reden te meer om hier als werkgever scherp op te letten.
Vertrekvergoeding
Binnen de reguliere eindheffing is in de Wet IB expliciet opgenomen dat het eindheffingsloon geen loon is voor de inkomstenbelasting. Voor de pseudo-eindheffing heeft de wetgever dit niet nodig geacht. De pseudo-eindheffing is een zuivere werkgeversheffing. Die heeft niets met de werknemer te maken.
De Wet LB bevat nog wel een expliciete bepaling over pseudo-eindheffingen. Stel dat er sprake is van een excessieve vertrekvergoeding, waarover je als werkgever de 75% pseudo-eindheffing verschuldigd bent. Een werknemer zou dan kunnen stellen dat hij geen inkomstenbelasting meer hoeft te betalen over die vertrekvergoeding, omdat de werkgever dit al heeft gedaan.
In de Wet LB is echter geregeld dat die excessieve vertrekvergoeding (en dat geldt ook voor RVU-uitkeringen die zijn getroffen door een pseudo-eindheffing) tot het loon behoort, ook al is daarover door de werkgever een pseudo-eindheffing verschuldigd.
Tot besluit
In het verleden werd de loonbelasting wel eens betiteld als eenvoudige voorheffing op de inkomstenbelasting. In deze bijdrage heb ik laten zien dat de loonbelasting daarentegen is uitgegroeid tot een volwassen belastingmiddel. Dit wel met een (helaas) ingewikkeld wettelijk kader en een harde lijn als sluitpost: de eindheffing.











