Nederland is gek op het indelen in hokjes. Dat geldt niet alleen voor de manier waarop we mensen duiden, maar zeker ook voor de manier waarop we werkgevers categoriseren. In de praktijk leidt dat onderling nog wel eens tot verwarring.
Welke cao is van toepassing?
Als werkgever moet je bepalen onder welke cao je valt. In Nederland is er in beginsel geen instantie die bepaalt welke cao dat is. Wel staat in cao’s zelf beschreven voor welke bedrijven ze gelden; met andere woorden: daarin is de werkingssfeer vastgelegd. Kort gezegd draait het om de vraag welke hoofdactiviteit van de werkgever leidend is. In de meeste gevallen levert dat geen probleem op.
Meerdere activiteiten, meerdere cao’s?
Soms bestaat onduidelijkheid als een werkgever meerdere verschillende activiteiten ontplooit. Dat kan zelfs leiden tot een beroepsprocedure. Een werknemer kan bijvoorbeeld stellen dat een andere cao van toepassing is dan de cao die jij als werkgever hanteert.
Het belang voor de werknemer kan dan liggen in het mislopen van bepaalde toeslagen die juist wél in die andere cao zijn opgenomen. In zo'n geval moet de rechter er dan aan te pas komen. De werkingssfeer van de betrokken cao’s speelt daarbij een belangrijke rol. Sommige cao’s nemen in hun werkingssfeerartikel zelfs expliciet op welke bedrijven niet onder de cao vallen.
In theorie kan het voorkomen dat je als werkgever voor verschillende groepen werknemers 2 cao’s moet toepassen. Dan moet het wel gaan om duidelijk gescheiden activiteiten, zoals bijvoorbeeld een ziekenhuis met een commerciële apotheek.
Cao-partijen en pensioenfondsen kijken mee
Cao‑partijen houden onderling ook in de gaten of er werkgevers zijn waarvan zij vermoeden dat deze onder hun cao zouden moeten vallen. De ene cao-partij is daarin actiever dan de andere. Ook pensioenfondsen zijn alert: zij schrijven werkgevers aan als het vermoeden bestaat dat werknemers onder een verplicht beroepspensioen moeten worden gebracht. Het financiële belang hiervan kan erg groot zijn.
De rol van SZW bij cao’s en algemeen verbindend verklaren
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) krijgt elke cao ter toetsing voorgelegd. SZW toetst of de cao arbeidsrechtelijk juist is en voldoet aan de geldende wet- en regelgeving. Als cao-partijen daarnaast een verzoek indienen om de cao algemeen verbindend te verklaren, moet worden voldaan aan de representativiteitseis. Dat betekent dat zij meer dan 55%, bij voorkeur liefst 60%, van het georganiseerd bedrijfsleven moeten vertegenwoordigen.
En juist op dit punt lopen zaken soms door elkaar. De overheid gebruikt namelijk meerdere kwalificaties en indelingen voor werkgevers. Bij inschrijving bij de Kamer van Koophandel kent het CBS een SBI‑code (Standaard Bedrijfsindeling) toe om de activiteiten van een onderneming te classificeren.
Hoewel werkgevers verplicht zijn om deze code te laten wijzigen wanneer hun activiteiten wijzigen, is
de SBI-code niet altijd actueel. Het is vooral een statistisch gegeven en biedt slechts een eerste indicatie van de bedrijfsindeling.
Sectorindeling door de Belastingdienst: een ander belang
Daarnaast geeft de Belastingdienst een beschikking sectorindeling af aan werkgevers, omdat de sectoraansluiting van invloed kan zijn op de hoogte van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas. Dit is een fiscaal- en verzekeringsrechtelijk oordeel met directe financiële gevolgen.
Representativiteit en verwarring tussen systemen
Terug naar het verzoek om een cao algemeen verbindend te verklaren. Om de representativiteit van de sector te onderbouwen, voeren cao-partijen allerlei argumenten aan. Daarbij verwijzen zij onder meer naar toegekende SBI‑codes, verplicht gestelde pensioenfondsen, sociale fondsen en sectorindelingen van werkgevers door de Belastingdienst.
De Belastingdienst ontvangt in dit kader veel verzoeken tot herbeoordeling van sectorindelingen. De achterliggende oorzaak is de discussie over de juiste cao-indeling en het belang van de vereiste representativiteit bij verzoeken om algemeen verbindend verklaring.
Waarom SBI-codes en sectorindelingen niet doorslaggevend zijn voor SZW
SZW baseert zijn oordeel over de representativiteit echter voornamelijk op de werkingssfeer van een cao, aangevuld met gezond verstand. De sectorindeling van de Belastingdienst speelt hierbij geen rol, net zomin als de SBI-code. Het heeft daarom geen zin om verzoeken tot herbeoordeling van de sectoraansluiting bij de Belastingdienst in te dienen.
De eigen logica van de Belastingdienst uitgelegd
De beschikking sectorindeling die de Belastingdienst aan werkgevers afgeeft, kent eigen toetsingscriteria. Die wijken af van de toetsingscriteria die SZW hanteert. De Belastingdienst kijkt namelijk naar het hoogste premieloon.
Een klassiek voorbeeld is de bakker (cao Industriële of ambachtelijke bakkerij) die vanaf het begin in zijn zaak een kleine staplaats heeft waar klanten een broodje kunnen eten. Daarmee is er dus ook een element van horeca aanwezig. Stel dat deze bakker het pand ernaast koopt en uitbreidt, waardoor het premieloon van dat horecadeel ineens hoger wordt dan dat van de bakkerij. Binnen de sectorindeling ga je dan pas over naar de lunchroomsector als gedurende 3 jaar achtereen dat hogere premieloon wordt gerealiseerd.
Voor een werkgever kan daardoor lijken alsof hij verkeerd is ingedeeld, omdat het premieloon van de bakker lager is. Op het eerste gezicht lijkt de sectorindeling dan onjuist, maar dat hoeft niet zo te zijn: de Belastingdienst hanteert nu eenmaal eigen, specifieke criteria voor de indeling.
Verschillende toetsen, verschillende uitkomsten
Ook SZW hanteert geheel eigen toetsingscriteria bij de beoordeling van cao’s, en in het bijzonder bij het toetsen van de representativiteit van verzoeken om cao's algemeen verbindend te verklaren.
Het is een misvatting van werkgevers om in discussies met SZW of de Belastingdienst argumenten aan te voeren die afkomstig zijn uit de toetsing van juridisch gezien andere kwesties.
Wat moet je als werkgever onthouden?
Het is goed om je als werkgever te realiseren dat de SBI-code vooral een weinig betekenisvolle, statische achtergrond heeft, ook al moet deze code wel worden ingevuld in de aangifte loonheffingen.
De toetsing van SZW ziet, naast een arbeidsrechtelijke toets bij algemeen verbindend verklaren, vooral toe op de werkingssfeer van een cao. De Belastingdienst daarentegen toetst volledig op eigen gronden de fiscaal en verzekeringsrechtelijke positie van een werkgever en legt dit vast in een beschikking.
Conclusie: elk systeem heeft zijn eigen spelregels
Als werkgever ontvang je een SBI-code, een beschikking sectorindeling en in veel gevallen val je onder een cao. Deze indelingen staan los van elkaar en kennen elk hun eigen toetsingscriteria. Kijk daarom goed naar de elementen die relevant zijn voor de specifieke indeling waartegen je bezwaar hebt. Argumenten die zijn ontleend aan een ander toetsingskader of indeling hebben in principe weinig kans van slagen.














