Gaan we het ooit nog leren?

De wereld is complex, met als gevolg een groeiende behoefte aan minder en eenvoudiger regels. Op de een of andere manier slaagt de wetgever er maar niet in om de breed levende wens tot vereenvoudiging om te zetten in simpele wetgeving. De voorbeelden zijn talrijk, zelfs als je je beperkt tot de fiscale regels. Kijkt u even mee?

De inmiddels sinds 2015 verplicht gestelde werkkostenregeling (WKR) voorzag aanvankelijk in de vervanging van 29 fiscaal (deels) toegestane vergoedingen en verstrekkingen door één vrije ruimte van 4 procent van de loonsom. Vanaf de daadwerkelijke start van de WKR in 2011 bleef de vrije ruimte echter beperkt tot 1,4 procent van de loonsom, gecombineerd met een aantal gerichte vrijstellingen.

Vanaf 2015 bedraagt de vrije ruimte 1,2 procent met jaarlijkse politieke druk om het percentage te verhogen dan wel het aantal gerichte vrijstellingen uit te breiden. De WKR zorgt momenteel nog steeds voor onduidelijkheid bij loonadministrateurs, mede vanwege de invloed van open normen (zoals het gebruikelijkheids- en noodzakelijkheidscriterium).
In het kader van de Wet arbeidsmarkt in balans hebben wij per 1 januari 2020 afscheid genomen van de onderverdeling in 67 sectoren van het maatschappelijk veld en introduceerde het kabinet de premiedifferentiatie WW gebaseerd op de aard van het arbeidscontract, voor bepaalde of onbepaalde tijd. Het vertrekpunt lijkt eenvoudig en toe te juichen. De complexiteit in uitvoering ontstaat echter vanwege het onderscheid met de oproepcontracten en de definiëring daarvan. Verder zijn de verplichtingen voor werkgevers tot herziening van de ingehouden premie als gevolg van bijvoorbeeld structureel overwerk (de 30-procentnorm) wat betreft berekening buitengewoon ingewikkeld. Er wachten u als werkgever in 2020 forse herrekeningen, afhankelijk van de sector waarin u werkzaam bent.

Al jaren bestaat de roep om een flat tax-systeem. Het kabinet maakt in 2020 een beweging die kant op en creëert een schijvenstelsel in belastingheffing met slechts twee schijven. De heffing onder de 68.507 euro bedraagt 37,35 procent aan LB/PVV; verdient u meer dan 68.507 euro, dan bedraagt het tarief 49,50 procent. Eenvoud over de gehele linie, zou je denken. Vanwege de invloed van de afbouw van de algemene heffings- en arbeidskorting is het voor de burger echter bijzonder lastig te berekenen bij welk inkomen hij nu welk netto-inkomen in handen krijgt.
Oké, nog eentje dan. De opvolger van de Wet DBA, waarvan de invoeringsdatum is voorzien per 2021, beoogt ten dele de arbeidsmarkt te reguleren met twee aangekondigde opvallende onderdelen. De invoering van een minimumloon voor zelfstandigen (ofwel personen die niet in dienstbetrekking zijn) van 16 euro en de introductie van een zelfstandigenverklaring om iedereen met een stevig uurtarief van 75 euro de mogelijkheid te bieden buiten dienstbetrekking te blijven.

Beide gedachten kennen een zeer verdedigbaar vertrekpunt. De Stichting van de Arbeid acht beide onderdelen echter nu al onuitvoerbaar, vanwege de verplichting die bestaat om zowel in de offerte als in de factuur een gedetailleerde berekening te maken van de direct toerekenbare uren en kosten die verband houden met een opdracht. En als wij de wetsvoorstellen nationaal zouden omarmen, is er altijd nog Europese wetgeving die er in elk geval voor zorgt dat contracterende partijen betrokken bij een zelfstandigenverklaring niet alle elementen uit een arbeidsovereenkomst buiten de deur kunnen houden. Denk bijvoorbeeld aan het recht op twintig dagen vakantie.
Kortom, in aanleg eenvoudige wetgeving strandt vaak onder druk van politiek en/of belangengroeperingen of leidt op zijn minst tot compromissen tussen partijen die de uitvoering en daarmee de acceptatie niet ten goede komen. Kunnen wij hiervan richting toekomst iets leren? Of niet? Fiscaliteit leent zich vaak voor instrumentalisme. Onze samenleving is gebaseerd op inspraak en de uitkomst van overleg met veel partijen met nog meer meningen. Wetgeving die zo ontstaat, is uiteraard niet in beton gegoten, maar beweegt vaak mee met de maatschappij. Oog voor uitvoering is mogelijk, via goed overleg met alle stakeholders. Houdt u daarbij wel rekening met een zekere vertraging in beweging …

Auteur: Stan Rethans, Belastingdienst, voorzitter kennisgroep cao, op persoonlijke titel