13 jan 2010
Doorsturen
Afdrukken
Privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen een man en prostituees die hun prestaties verrichten in een aan de man in eigendom toebehorend pand aangetoond.
Een man drijft in een hem in eigendom toebehorend pand een onderneming met als bedrijfsomschrijving 'het ter beschikking stellen van ruimten waarin privé-huis activiteiten worden ontplooid'. In het pand zijn prostituees werkzaam. Zij verblijven veelal de gehele dag in het pand, ook als zij niet aan het werk zijn.
De man adverteert in regionale weekbladen, op de radio en op een internetsite. Op de internetsite staan ook de prijzen voor de diverse prestaties vermeld.
De prostituees rekenen tevoren contant af met de klant. Volgens de man komt het gehele door de klant betaalde bedrag ten goede aan de prostituee en betaalt de prostituee een gedeelte van dit bedrag aan hem als vergoeding voor het gebruik van de werkkamer waarin de prostituee haar prestatie jegens de klant verricht. De man heeft daarom geen loonbelasting en premie volksverzekeringen aangegeven en/of afgedragen.
Omdat de inspecteur daarentegen van mening is dat het gehele door de klant betaalde bedrag ten goede komt aan de man en dat hij vervolgens een gedeelte van dit bedrag als loon aan de prostituee betaalt, is aan de man voor wat betreft dit gedeelte een naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd en in bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De man heeft vervolgens hoger beroep ingesteld.
Het gaat in deze zaak voornamelijk om de vraag of de prostituees in privaatrechtelijke dienstbetrekking staan tot de man.
Verder spelen de vragen of de inspecteur in strijd met de redelijkheid en billijkheid dan wel naar willekeur heeft gehandeld door de naheffingsaanslag pas in 2005 op te leggen terwijl er al in 2002 een bedrijfsbezoek heeft plaatsgevonden, respectievelijk door de naheffingsaanslag pas op te leggen nadat de bestuursrechter in deze kwestie heeft geoordeeld dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
Het Hof volgt de man niet in zijn stelling dat zijn ondernemingsactiviteiten bestaan uit het verhuren van kamers aan zelfstandige werkende prostituees. Volgens het Hof is sprake van het door de man aan prostituanten gelegenheid geven zich in het pand met prostituees af te zonderen en te onderhouden. Dit betekent dat de gehele door de prostituant betaalde bedrag als vergoeding voor zijn prestaties aan de man toekomt en dat de man vervolgens een gedeelte van dit bedrag aan de prostituee betaalt.
Aan de orde is dan de vraag of dit gedeelte moet worden aangemerkt als loon uit privaatrechtelijke dienstbetrekking. Voor een bevestigende beantwoording van deze vraag is vereist dat er sprake is van een verplichting van de prostituees tot het persoonlijk verrichten van arbeid gedurende zekere tijd en van een hiertegenover staande verplichting van de man tot het betalen van een vergoeding, alsmede van het bestaan van een gezagsverhouding tussen de man en de prostituees.
Het Hof neemt de volgende omstandigheden in aanmerking:
• de prostituees mogen het pand niet met een klant verlaten;
• voor de prostituees gelden bepaalde gedragsregels;
• in het pand wordt door of namens de man toezicht gehouden, en
• klachten van klanten over de prostituees door de man worden behandeld.
Uit deze omstandigheden volgt naar het oordeel van het Hof dat de prostituees gehouden zijn aanwijzingen van de man op te volgen en dat er dus sprake is van een gezagsverhouding tussen de man en de prostituees.
Verder acht het Hof het mede op grond van de omstandigheden dat de prostituees zich (alleen) in overleg met de man mogen laten vervangen en zich aan bepaalde werktijden moeten houden, aannemelijk dat de prostituees hun activiteiten persoonlijk gedurende bepaalde tijd moeten verrichten.
Tot slot is het naar de mening van het Hof aannemelijk dat het gedeelte van het van de klant ontvangen bedrag dat wordt uitgekeerd aan de prostituee, de vergoeding is voor de door werkzaamheden van de prostituee en dat de man zich heeft verplicht tot uitkering van dit gedeelte.
Op grond van het voorgaande komt het Hof tot de conclusie dat er een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestaat tussen de man en de prostituees.
Het Hof is voorts van mening dat de inspecteur door het opleggen van de naheffingsaanslag niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid of naar willekeur heeft gehandeld. De door de man daarvoor aangevoerde omstandigheden acht het Hof onvoldoende.
Kortom, het gelijk is aan de zijde van de inspecteur.
Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Bron: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, d.d. 21-12-2009. 08/00435 >>
© Jurisprudentie SalarisNet
Donderdag 23 september 2010
Beatrixtheater Jaarbeurs Utrecht
Centraal thema: Nieuwe ronde, nieuwe kansen
• Programma »
• Topsprekers »
• Inschrijven als deelnemer »
Reed Business bv. Auteursrecht voorbehouden.
Op gebruik van deze site zijn de volgende regelingen van toepassing: Gebruiksvoorwaarden | Privacy Statement